1. Probleemstelling


De regelgeving voor overheidsopdrachten werd in de rechtspraak gaandeweg ruimer en ruimer geïnterpreteerd. Tot ze zelfs van toepassing werd op heel wat verenigingen die wel overheidsmiddelen ontvangen, maar in feite autonoom zijn. Een Europese richtlijn van 2004 zette één en ander op punt in de uitdijende rechtsmaterie rond de overheidsopdrachten. De richtlijn wordt – via de wetten van 15 en 16 juni 2006 – op 1 januari 2013 in ons land van kracht.

Naar aanleiding van de inwerkingtreding van de ‘nieuwe’ wet op de overheidsopdrachten van juni 2006 zetten de federale en regionale werkgeverskoepels van de socialprofitsectoren (m.n. Unisoc en Sociare) in het najaar 2011 vormingen op voor hun leden. Er ontstond bij koepels en verenigingen een groeiende ongerustheid.

‘de Verenigde Verenigingen’ zoomde tijdens tal van contacten in op de betreffende wetgeving die –o.a. door voortdurende reparaties- allesbehalve duidelijk bleek te zijn, noch op vlak van het concrete toepassingsgebied, als op vlak van te volgen procedures. De ‘experten’ wezen naar andere ‘experten’. Worden gesubsidieerde verenigingen beschouwd als aanbestedende overheden? 

We moeten vooraf opmerken dat de verschillende overheden heel beperkte manoeuvreerruimte hebben in dit dossier. De huidige regelgeving over overheidsopdrachten is het gevolg van een Europese richtlijn, die op zijn beurt voortvloeit uit de General Procurement Agreement van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). In deze Agreement werden al behoorlijk precieze voorschriften gehanteerd. Met andere woorden: zelfs de EU heeft beperkte marges om de regelgeving anders toe te passen. Daarenboven is deze regelgeving federale materie. De Vlaamse overheid moet de regelgeving echter zelf ook (doen) toepassen op al zijn gesubsidieerde entiteiten. De Vlaamse overheid kan enige invloed uitoefenen op het federale niveau, maar ook hier zijn de marges om elementen van de wetgeving te veranderen beperkt.