Verenigingen en de impact van Europa: de Europese staatssteunregels - verslag

'de Verenigde Verenigingen' werkt al enige tijd rond de steeds duidelijker wordende impact van Europese regelgeving op verenigingen. Die impact is vaak onbedoeld en/of onbewust - 'collateral damage' - en steevast onbekend terrein voor verenigingen; het overkomt verenigingen ook bijna uitsluitend eens de regelgeving al vast staat en geïmplementeerd is. De regels rond staatssteun zijn hier een prominent voorbeeld van.

'de Verenigde Verenigingen' wil iets doen aan deze negatieve impact van Europa en zet daarom al een tijd in op sensibilisering en informering, onderzoek én beleidsverandering. Tijdens een sessie i.s.m. vleva op vrijdag 30 september werd gefocust op sensibilisering en informering, waarin de dialoog tussen verenigingen en overheid centraal stond. Met een 'crash course' staatssteun (gegeven door Karel De Corte van het Agentschap Ondernemen & Innoveren en Farah Nolens van het Departement Werk en Sociale Economie) en twee staatssteuncases van verenigingen (gegeven door Natuurpunt en FOV) werden een plenair debat en vragenronde gevoed.

De belangrijkste conclusies en vraagstukken van de voormiddag staan hieronder opgelijst. Het volledige verslag en de gegeven presentaties vind je onderaan dit artikel.

  • De crux van het staatssteunverhaal zit in haar toepassingsgebied, nl. dat een vereniging (al dan niet vzw) door Europa onmiddellijk als een economische actor wordt gezien eens ze een economische activiteit uitoefent, zijnde: een goed of dienst op een markt aanbiedt. Een markt bestaat wanneer er naast de vereniging in kwestie ook private spelers hetzelfde goed of dezelfde dienst aanbieden.

    --> Het kan met andere woorden bijzonder snel gaan: sectoren die tot op vandaag niet met private spelers te maken krijgen, zijn enkel veilig tot wanneer een eerste private concurrent opduikt. Bovendien is er na deze vermarkting van de sector geen weg terug: de markt blijft "potentieel" bestaan, ook al zijn er op een bepaald moment geen private spelers op de markt aanwezig. Verenigingen in deze sector blijven dus staatssteungevoelig - een uiterst ingrijpende ontwikkeling.
  • De uitzonderingsregimes, o.m. vervat in de groepsvrijstellingenverordening (GBER) en de diensten van algemeen economisch belang (DAEB), kunnen worden aangepast om verenigingssectoren breder te beschermen - maar de windows of opportunity zijn schaars en klein. Lidstaten kunnen respectievelijk wijzigingen voorstellen dan wel een lijst met gevrijwaarde sectoren indienen, maar dit vraagt veel lobbywerk (zowel vanuit het verenigingsleven als binnen administraties).

    De Mededelingen van de Commissie kunnen dan weer verduidelijking bieden bij bepaalde zaken in de wetteksten, maar waakzaamheid is geboden: omdat de Mededelingen zelf niet het statuut van wettekst hebben, bieden deze geen rechtszekerheid.

  • Tel daarbij op dat er op Vlaams noch federaal niveau een coördinerend staatssteunorgaan bestaat en dat de verschillende departementen te weinig kennis en expertise hebben over de mogelijke impact van staatssteunregels op verenigingen, en het kan niet verbazen dat verenigingen steeds meer in het defensief worden gedwongen. Dit ondervond Natuurpunt, de eerste grote Vlaamse vereniging die werd aangeklaagd omwille van 'onterechte staatssteun', aan den lijve.

  • Een apart statuut voor verenigingen/civil society organiations op Europees niveau zou een doeltreffende oplossing kunnen zijn voor de problemen waar we nu mee worstelen: het biedt nl. de eenvoudige optie om verenigingen als geheel buiten toepassing te laten van de regels die niet voor hen bedoeld zijn, maar waardoor ze alsnog indirect worden gegrepen.

    Eenvoudig is de realisatie van zo'n statuut niet, maar het vergt een sterke overweging: waar in België en Vlaanderen de uniciteit van het verenigingsleven wordt erkend, doet Europa dit momenteel niet - met alle ongewenste gevolgen vandien.