Updates in hervormingsland: het insolventierecht en het ondernemingsrecht

De hervorming van het economisch recht door minister Geens nadert zijn apotheose. De afgelopen weken doorliepen de eerste twee delen van het hervormingsdrieluik beslissende fases: het nieuwe insolventierecht (de wet van 11 augustus 2017) trad in werking op 1 mei 2018 en ook het ondernemingsrecht werd hervormd via de wet van 15 april 2018 (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 27 april). 

Dat deze hervormingen ook gevolgen hebben voor verenigingen, was al langer duidelijk. Maar wat verandert er nu exact?

Het insolventierecht (wet van 11 augustus 2017) (gebaseerd op artikel Marleen Denef - LinkedIn)

In een notendop zijn de insolventieregels vanaf nu ook van toepassing op vzw's. Een faillissement of een gerechtelijke reorganisatie is dus niet meer alleen voorbehouden voor commerciële ondernemingen. Voor veel verenigingen lijkt dit ongetwijfeld een bedreiging voor de eigen organisatie en bestuurders - en het is zeker niet slecht om bijzonder oplettend te zijn voor de gevolgen die dit met zich kan meebrengen -, maar op verschillende punten kan de heersende bezorgdheid om de hervorming wel gecounterd worden.

Van een onduidelijke, moeizame vereffening naar een helder faillissement

Eerst en vooral konden vzw's tot nog toe niet failliet verklaard worden, maar in geval van moeilijkheden enkel beroep doen op een vereffeningsprocedure. Problematisch aan de vereffening is dat het juridisch kader hiervoor nooit echt duidelijk is geweest: de bepalingen over hoe de vereffening moet doorlopen worden zijn zeer beknopt, er is geen kader voor een gerechtelijke reorganisatie of doorstart van de vzw, geen proactieve benadering etc...

Een vereniging zonder sterke juridische knobbel kreeg zo nu al vaak te maken met een punthoofd (omdat vereffeningen te laat werden opgestart, te lang aanslepen en kansen op doorstart verloren gingen) én aansluitende financiële kater (omdat het geduld van schuldeisers opraakte).

De nieuwe wet, met de toevoeging van de faillissementsprocedure voor vzw's, komt aan veel van deze tekortkomingen van de huidige wetgeving tegemoet (met nieuwe instrumenten, de mogelijkheid om een onderneming in moeilijkheden sneller te signaleren, het doorstart-scenario e.d.m.).

Wat met de bestuurdersaansprakelijkheid?

De nieuwe insolventiewet (boek XX van het WER) formuleert expliciet een aantal gronden voor mogelijke bestuurdersaansprakelijkheid: 

  1. de "kennelijk grove bestuursfout" die heeft bijgedragen tot het faillissement (art. XX, 225 WER)
  2. de verhoogde aansprakelijkheid voor "RSZ-recidivisten" (art. XX, 226 WER)
  3. de "kennelijk onredelijke verderzetting van activiteit" zonder vooruitzicht op herstel (art. XX, 227 WER)

Vergeleken met het huidige vzw-recht betekent deze wijziging in grote mate exact wat ze zegt: ze expliciteert wat vandaag tot op zekere hoogte al het geval was. Zo kunnen onvoorzichtige bestuurders vandaag al aansprakelijk gesteld worden via artikel 1382 BW (de algemene zorgvuldigheidsnorm), idem wanneer er kennelijk grove fouten zijn gemaakt. 

Op zich betekenen de nieuwe regels dus niet dat er in essentie grote veranderingen doorgevoerd worden in de bestuurdersaansprakelijkheid. Bovendien is er ook nog...

Het toekomstige Wetboek voor Vennootschappen en Verenigingen

Als de ontwerpteksten voor het toekomstige WVV wet worden, dan wordt de bestuurdersaansprakelijkheid aanzienlijk beperkt in vergelijking met vandaag. Zo omvatten de teksten momenteel:

  • maximale aansprakelijkheidsdrempels: deze "caps" moeten nog bepaald worden door de regering, maar de reeds geschetste drempels waaronder beperkte aansprakelijkheid gold, waren tot nog toe behoorlijk ruim geschat.
  • kortere termijnen voor aansprakelijkheid: die zou naar vijf jaar gaan (waar ze nu tien jaar (voor interne ah), vijf jaar (voor externe ah, vanaf kennis) en soms zelf twintig jaar (indien schade en identiteit dader lang onbekend blijven) bedroeg)
  • een expliciete formulering van het begrip fout: de gedragsnorm wordt de "marge waarbinnen normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuuders, geplaatst in dezelfde omstandigheden, van mening kunnen verschillen"

De bestuurdersaansprakelijkheid zou hoofdelijk worden (dus niet langer individueel), maar ook dit is geen echte nieuwigheid, want in de huidige regels bestaat ook al een "in solidum"-aansprakelijheid tussen de bestuurders, bij samenlopende of gemeenschappelijke fouten.

Conclusie

De hervorming van het insolventierecht reikt, anders dan misschien gevreesd werd, vooral helderheid en betere instrumenten aan voor vzw's die in moeilijk financieel vaarwater terecht komen. Met de beperkingen op de bestuurdersaansprakelijkheid laat ze bovendien toe aan verenigingen en bestuurders om niet kopje onder te gaan, maar het zwaar weer te doorstaan. 

Uiteraard betekent de introductie van het faillissement voor verenigingen dat 'good governance'-principes aan belang zullen toenemen. De financiën goed beheren, en die op de raad van bestuur regulier agenderen en correct notuleren zijn basisvoorwaarden. Daarnaast is en blijft een goede bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering geen overbodige luxe - niet omdat de kans op bestuurdersaansprakelijkheid exponentieel groeit, maar omdat een juridische procedure op zich al een flink bedrag kan kosten.

Het ondernemingsrecht (wet van 15 april 2018)

Het net aangepaste ondernemingsrecht introduceert een nieuwe definitie van het begrip 'onderneming' in het Wetboek van economisch recht. Niet langer staat 'de handelaar', maar het begrip 'onderneming' centraal in dit recht. Voortaan zijn alle actoren die actief zijn op economisch vlak een onderneming; bij de rechtspersonen betekent dit ook de vzw's. Enkel voor bepaalde specifieke hoofdstukken van het Wetboek van economisch recht (zoals het hoofdstuk over het mededingingsrecht) vallen vzw's buiten toepassing. De wijziging van dit ondernemingsbegrip trad in werking op 1 mei 2018.

Naast dit belangrijke aspect wil de wet houdende hervorming van het ondernemingsrecht ook de formaliteiten verduidelijken die de ondernemingen moeten vervullen: publicatie in het Belgisch Staatsblad, boekhoudkundige verplichtingen, bewijslast, enz. Tenzij een koninklijk besluit de datum van inwerkingtreding zou vervroegen, worden deze regels toepasbaar op uiterlijk 1 november 2018.

Belangrijk: verenigingen zonder winstoogmerk zullen zich voortaan (kosteloos) moeten inschrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen via een ondernemingsloket. De formulieren voor de bekendmaking in het Staatsblad moeten dus niet meer worden ingediend via de griffie van de handelsrechtbank! De inwerkingtreding van dit punt moet wel nog worden vastgelegd in een koninklijk besluit. Tot die tijd verandert er dus niets.

Als gevolg van de hervorming en de uitbreiding van de regels betreffende de insolventie tot de verenigingen, verdwijnt ook de handelsrechtbank en wordt ze omgezet in een "ondernemingsrechtbank". Die is bevoegd voor geschillen tussen ondernemingen, dus ook als er verenigingen zonder winstoogmerk bij betrokken zijn. De rechtbank van eerste aanleg is dus niet langer bevoegd voor dergelijke geschillen. De lekenrechters (rechters uit het werkveld die aan de zijde van de professionele rechter in de handels/ondernemingsrechtbank zetelen) mogen voortaan bovendien afkomstig zijn van de verenigingssector.

Samen met haar partnerorganisaties zal 'de Verenigde Verenigingen' erover waken dat de hervorming van het ondernemingsrecht geen bijkomende administratieve of financiële last oplegt aan verenigingen. Of dit het geval zal zijn, zal blijken uit de organisatie van de rechtbanken in elk gerechtelijk arrondissement. Als er toch sprake zou zijn van bijkomende lasten, zullen we de bevoegde ministers hierover uiteraard aanspreken.

Tot slot: de hervorming van de wetgeving voor vennootschappen en verenigingen

Het belangrijkste luik van de hervorming moet nog komen: het voorontwerp van wet dat het wetboek van ondernemingen en verenigingen introduceert en een einde zal stellen aan de wet van 27 juni 1921 betreffende de vzw's en van verenigingen zonder winstoogmerk verenigingen zonder winstuitkering maken. Dat voorontwerp zou in principe heel binnenkort, na een laatste goedkeuring van de Ministerraad, worden ingediend bij de Kamer van volksvertegenwoordigers. De regering hoopt deze wet nog vóór de zomer te kunnen goedkeuren...en wij volgen het nauwgezet op.